Ik lees op Linkedin een post van een antropoloog die schrijft over wat ze recent onderzocht over onze economie. Over hoe dit geen natuurwet is, maar een menselijke uitvinding. Geen heilige graal, maar een cultureel fenomeen. Eentje met een nogal destructief idee van welvaart op de lange termijn, helaas.
Nastreven van economische groei vraagt namelijk om meer. Meer bouwen, produceren, vervoeren, verkopen, hebben, doen, ervaren. De mens als rationeel, winstgedreven individu dat los staat van de omgeving, terwijl die ons van grondstoffen voorziet en alle overtollige spullen en stoffen weer opneemt. Als mens zijn we ook zorgend, verbindend en gevend, maar dat wordt in ons economisch model niet gemeten. Spot on, blijkt uit de vele reacties en reposts.
Ik denk alleen maar ‘What the f@ck?!’.
Al lezend word ik teruggeschoten in de tijd, linea recta naar mijn vwo-jaren. Ik had een pretpakket. Voor wie dat niets zegt, dat waren alle talen. Én ik had economie.
Die talen ging me goed af, kletsen kan ik wel 😉
Maar economie en ik waren geen vrienden. Ik vond het onlogisch. Je kunt het niet zien, niet vastpakken, het droogt je tranen niet, komt niet in bed gezellig tegen je aan liggen toch moet het groeien? Hoezo?
En ik deed echt mijn best! Ik was aanwezig in de lessen, maakte mijn huiswerk, stelde vragen. Die gingen dan wel vooral over ‘Maar we kunnen toch niet blijven maken, onze grondstoffen zijn toch een keer op?’ En ‘Waar laten we al die spullen dan?’ Of ‘Waarom doen we dat dan zo?’ en ‘Wie beslist dat dan?’
Daar kon de docent niets anders mee dan nogmaals de gangbare theorie uitleggen in de hoop dat ik aanhaakte. Uiteindelijk slaagde ik met de hakken over de sloot met een vier voor economie. Dankzij compensatie van de hoge cijfers uit de rest van dat pretpakket. Ik bleef achter met een vaag gevoel van dom zijn. Het werd een makkelijke grap en een stoer verhaal op latere feestjes.
Terwijl ik nu dit blog lees besef ik dat ik dit toen allemaal al begreep.
Sommige mensen bekijken systemen als vanzelfsprekend niet geïsoleerd, maar zien ook de impact buiten het geldende kader, bijvoorbeeld op mensen, natuur of toekomstige generaties. Het maakt dat ze vragen stellen die buiten de scoop van de lesstof vallen. Niet dom, maar op een diepere, meer verbonden, relationele laag.
Wanneer een thema met de tijd maatschappelijk relevanter wordt, verschuift ook de scoop en dat wat als wijsheid wordt gezien. Misschien begreep je op een bepaald moment iets dat toen nog nauwelijks bespreekbaar was. Fijn als de tijd je inhaalt. Het verschil is dat zij nu (terecht, wat mij betreft) applaus krijgt en ik destijds een vier, want ik was dom. We kijken beiden buiten de kaders en stellen andere vragen.
Ik werk daarom zo graag zonder kader, in het moment, met speelse werkvormen waarin alles kan ontstaan en waarin we als mens ook kunnen zijn met het ongemak van dat ongewisse dat het met zich meebrengt. Want in relatie kan alles ontstaat. Ook wat op dit moment nog ondenkbaar is.
